Ongeveer een kwarteeuw heeft Laos bestaan als een constitutionele monarchie. Na de onafhankelijkheid van de Fransen in de 1953, een stuk minder zwaar bevochten dan die van Vietnam, kon een bescheiden koninkrijkje handhaven tot het verliezen van de burgeroorlog van de Pathet Lao in 1975. De Pathet Lao, ook wel de Lao People’s Liberation Army, was een door Noord-Vietnam gesteunde communistische rebellengroep die na de overwinning de huidige Democratische Volksrepubliek Laos stichtte. Ik hoor u al denken, dat geprivilegieerde rechtse jongetje zal wel weer commentaar hebben op het linkse bestel aan de andere kant van de wereld. En ja, dat klopt. Want wat mogen wij in onze handjes knijpen lieve mensen. Toen ik aan een Laotiaan vroeg wie de man op de biljetten van de Laotiaanse Kip stond zei hij: ‘president, no king!’ Toen ik vroeg hoe lang deze beste man al president was grinnikte de man: ‘looooong time.’ Los van het afval dat op straat verbrand wordt omdat het niet wordt opgehaald, een gemiddelde jaarlijkse inflatie van 17,56% en de vlaggetjes met hamer en sikkel die langs de weg hangen merk je het ook aan het ‘verhaal’ van Laos. Een heel concreet voorbeeld hiervan is het voormalig koninklijk paleis dat ik bezocht. Het museum vertelt eigenlijk geen verhaal, maar laat enkel de rudimenten van de ‘luxe’ van de koninklijke familie zien. De schrale levensstijl van de Laotiaanse koninklijke familie zou bij menig Calvinistische republikein een gevoel van medelijden opwekken. Er staan een paar verrotte auto’s waaronder een oude Lincoln en een Citroën DS. Ook hangen er wat tenuetjes voor speciale gelegenheden en wat kromme zwaarden van de voormalige bodyguards. De bordjes vertellen alleen dat je een auto of een zwaard ziet, misschien wie de auto of het zwaard gebruikte, maar het verhaal blijft achter. Ik kan me voorstellen dat het niet chic is om te vertellen dat je de koninklijke familie naar heropvoedingskampen hebt gestuurd waar ze onder erbarmelijke omstandigheden zijn gestorven, zeker niet als je een façade voor toeristen probeert op te houden. Verder lijkt het land slachtoffer van Chinees imperialisme. Het mooiste voorbeeld hiervan is het treinstation in Luang Prabang van de Lao-Chinese Railway, dat voor 70% in handen is van de Chinese overheid, maar voor 70% door Laos loopt. Mooi project wat de reistijden en -veiligheid significant verbetert in Laos, maar ondertussen ook vooral is voorbestemd voor grote groepen Han-Chinezen. Het station zelf is een kolossaal bouwwerk te midden van semi-krottenwijken, wat het gebouw enigszins uit de toon doet vallen op het blad van de omgeving. Wat het echte verhaal van Laos is vind ik dus nog lastig te doorgronden, maar misschien is dit ook wel gewoon een bijrol in het verhaal van andere mogendheden. Ik hoop dat mijn verhaal hier trouwens niet eindigt, mocht de long-time president van Laos er gehoor van krijgen. Ik kan hard rennen, maar de dichtstbijzijnde ambassade is in helemaal in Bangkok.
Ik vind Laos niet zo authentiek als velen zeggen want het lijkt veel op Thailand, maar alles is het net niet. Het is vooral ingericht voor backpackers die van feesten houden. Nu ben ik een backpacker en houd ik van feesten, maar heb ik tot mijn verbazing weinig met de combinatie. Momenteel bevind ik me in Vang Vieng, waar ik dankzij de Chinezen binnen twee uur ben gekomen met de trein. Vang Vieng staat bekend om het tipsy tuben, iets waar ik met veel genoegen voor bedank, en de goedkope luchtballonvaarten die je hier kunt maken. Morgen ga ik mij wagen een aan vlucht in een paramotor. Ik wil u dan ook vragen dit niet aan mijn moeder te vertellen, in lijn met Louis Theroux in zijn ‘Dark Tourist’. Ik hoop dat het campingstoeltje waar ik morgen mee de lucht in vlieg ook van Chinese kwaliteit is, in plaats van Laotiaanse. Verder wil ik ik nog langs de Blue Lagoons en daarna eigenlijk zo snel mogelijk naar het in naam net zo communistische Vietnam, daar durven ze ten minste nog een beetje vuist te maken tegen de Chinezen.


Geef een reactie